Verhaal – de dood van het circuswezen

Het was een windstille avond toen L. Santorini, directeur van het rondreizende Circus Diallo, geruisloos het hoekje om ging. Na de voorstelling van 19.30 keerde hij, zoals zijn gewoonte was, terug naar zijn woonwagen om zich even alleen te voelen en te genieten van zijn traditionele avondmaal, erwtensoep met rookworst en spek. Het zou pas na middernacht zijn toen zijn kille en al lichtjes verstijvende lichaam werd aangetroffen, het gezicht weggezakt in een grote kom snert. De croûtons waren, dat spreekt, al verworden tot een papperig bezinksel.

Santorini’s hond, Mephistopheles II, een maltezer die al dertien jaar lief en leed met de directeur deelde, likte het gelaat van de afgestorvene af in een schouwspel dat een toevallige passant als smartelijk en ontroerend zou kunnen omschrijven, ware het niet dat het beest erop gebrand was de erwtensoep binnen te werken voor een ander er bij zou kunnen komen. De circusknechten hadden de grootste moeite de verschillende circusdieren weg te houden van het smakelijk geurende lijk van hun baas en bezieler. Ze vreesden immers dat sommige beesten na jaren van schijnbaar beschaafd gedrag zouden hervallen bij het ruiken van zulk een rijpe en beetgare kans op mensenvlees. Vooral die Leeuw moest zich maar niks in het hoofd halen…

De volgende dag werden alle voorstellingen afgelast. Een zwart vaan werd voor de gelegenheid aan de centrale mast gehesen. Daaronder, opgebaard in een cirkel van stilzwijgende getuigen, lag L. Santorini in een bed van zagemeel en confetti. Het leek een gepast afscheid, al waren de circusknechten en potsenmakers daar niet zeker van. De directeur, die een hekel had aan serieus gedoe en bedrukte gedachten, had immers nagelaten instructies na te laten die zijn verscheiden de nodige luister hadden kunnen geven. Hij rekende op de creativiteit van zijn vrienden en medewerkers. ‘Creativiteit’, zo oreerde hij vaak, ‘is de basis van ons werk. Waar de creativiteit wegvalt, sterft het circuswezen.’

Dus ging het circusvolk creatief aan de slag om een gepaste uitvaartplechtigheid in elkaar te boksen. Er zouden bloemen zijn en vuurwerk. Acrobaten zouden zich uit de naad werken in de nok, terwijl beneden een klezmerband een tragikomisch muziekstuk zou spelen. De Olifant zou worden opgesteld aan de hoofdingang van de arena. Gemend door de Aap zou hij vervolgens drie voltes afdraven alvorens zijn interventie af te sluiten met een luid geschetter. En er zou publiek zijn. Veel publiek. De tent zou vol moeten zitten. Er zouden dus goedkopere tickets moeten worden aangeboden. Goedkoper, niet gratis. L. Santorini zou zich omdraaien op zijn zagemeelhoop, indien hij zou vernomen hebben dat tickets gratis werden uitgedeeld. ‘Gratis tickets’, zo zei hij vaak, ‘zijn uit den boze. Waar gratis tickets worden uitgedeeld, sterft het circuswezen.’ L. Santorini was inderdaad geen groot redenaar of een creatief persoon geweest. Daarvoor betaalde hij anderen.

Na enig gepalaver kwam het creatieve stel tot de heikele vraag wie zou moeten dienst doen als ceremoniemeester. Deze rol was onder andere omstandigheden weggelegd voor de directeur zelf. De kandidatuur van de clown werd terzijde geschoven als ‘niet ernstig’. Het besef groeide dat de ceremoniemeester iemand moest zijn die L. Santorini het meest nabij was geweest tijdens zijn leven. De nieuwe ceremoniemeester zou eigenlijk de nieuwe directeur moeten worden, de opvolger van L. Santorini. Een hevige discussie barste nu los onder de gegadigden. De Leeuw brulde dat hij de trots van L. Santorini was geweest. De vrouw met de baard meende dat het circus gebaat zou zijn bij de leiding van een dame. De slangenmens wrong zich in allerlei bochten om zich als geschikte opvolger in de kijker te werken. De sterke man zette zijn kandidatuur kracht bij door een stuk uit de centrale mast te knauwen…

‘Stilte!’ Als uit het niets verscheen de goochelaar in het midden van de kwebbelende bende. Dat hadden ze eigenlijk wel van hem kunnen verwachten. ‘L. Santorini zou deze twisten niet verdragen hebben tijdens zijn leven. Daarom heeft hij dan ook een testament opgesteld om zijn opvolging in goede banen te leiden.’

De kermisgasten keken verbaasd op. L. Santorini die een testament had opgemaakt? Dat klonk wel heel onwaarschijnlijk… Toch prijkte nu een brief in de opgestoken hand van de goochelaar. L. Santorini’s zwierige handschrift sierde de omslag. ‘Zowat drie jaar geleden’, vervolgde de goochelaar, ‘kwam de directeur naar me toe met de vraag hem te helpen bij het opstellen van een testament. Hij zou zelf niet kiezen wie zijn opvolger zou worden. Jullie zouden zelf bepalen wie de nieuwe directeur van Circus Diallo zal worden.’

Santorini had, zo bleek, een flits van gezond verstand aangegrepen om zijn opvolging te laten bepalen door het samenspel van de talenten van zijn drie favorieten. Elk van hen kreeg een platte sleutel overhandigd, waarna de goochelaar met ernstige blik een mahoniehouten kistje tevoorschijn schudde uit een zwarte zijden doek. Op het kistje prijkte een gulden slot.

‘Wie er in slaagt het doosje te openen, zal de nieuwe eigenaar en directeur van het Circus Diallo worden, en de opvolger van L. Santorini. Hij of zij zal ook optreden als ceremoniemeester tijdens de uitvaartshow van morgen. Jullie hebben dus 24 uur om tot een oplossing te komen.’ Dramatisch stak de goochelaar de linkerhand de lucht in, waarna hij met een ruk een rookcapsule stuk gooide op de grond en in de verwarring verdween. Even later sloop hij langs een zijingang weer de tent in, omdat hij de ontknoping van het raadsel natuurlijk wilde bijwonen.

Daar stonden nu drie kandidaten te turen naar de sleutel in hun poot. Het ging inderdaad om drie dieren die tot de uitverkorenen van L. Santorini bleken te behoren: de Leeuw, de Aap en de Olifant. Deze keuze, hoewel enigszins eigenaardig, kon op het nodige begrip rekenen bij de menselijke kermisgasten. P. Bolderoni, de voorganger van L. Santorini, was getroffen door een dusdanige lelijkheid dat er enige onzekerheid bestond over de soort waartoe hij eigenlijk behoorde. Een zoogdier, dat was redelijk zeker. Een meer precieze omschrijving bleef meer giswerk dan wijsheid, en vragen stellen kwam de artiesten voor als te onbeleefd. Dus ook nu werden geen vragen gesteld over de kandidaat-directeurs. Het leek beter de toekomstige baas, of hij nu een slurf, manen of een grijpstaart had, niet meteen al voor het hoofd te stoten.

‘Opzij!’, brulde de Leeuw plots, en stormde met zijn sleutel naar het kistje. De lenige Aap was hem echter voor, griste het kleinood voor zijn neus weg en probeerde de sleutel die hem was toevertrouwd uit. Tevergeefs, het sleutelgat bleek te groot voor de sleutel. Daarna probeerde de Leeuw verwoed het slot te openen. Ook hij stelde vast dat zijn sleutel te plat was. Ook de pogingen van de Olifant, eerst met de slurf, daarna met de voorpoot, mislukten. Het slot was te breed, het kistje te stevig.

Op voorstel van de boeienkoning werden de drie sleutels samengelegd. De aanwezigen stelden vast dat de drie sleutels samen de nodige dikte zouden hebben om het slot te kunnen bedienen. De Leeuw zette zich schrap, de Aap klom vlug in de nok van de tent en de Olifant liet zijn slagtanden dreigend zakken. Geen van de drie kandidaat-directeurs was bereid zonder weerstand afstand te doen van de sleutels. Een interessante situatie was zo ontstaan, die de liefhebbers van blad-steen-schaar een brom van herkenning zal ontlokken: de Leeuw, sterk genoeg om de Aap de verscheuren, kan worden plat getrappeld door de Olifant. De Aap heeft de gewoonte de Olifant te mennen voor zijn act. Elke speler heeft dus een troef tegenover de ene, maar ook een zwakte tegenover de andere. Het zou heel moeilijk worden voor een dier om de drie sleutels te veroveren.

‘Was ik maar zo slim als Aap, of zo vervaarlijk als Leeuw’, zuchtte de Olifant. ‘Was ik maar zo sterk als Olifant’, zuchtte de Leeuw. De Aap zweeg en telde zijn vingers en tenen. Toen keek hij verbaasd op. ‘Misschien wilde L. Santorini wel een opvolger die zo slim was als ikzelf, zo sterk en betrouwbaar als Olifant, en zo krachtig en sierlijk als Leeuw!’ De kermisgasten begonnen te schuifelen op hun plaatsen. Er was iets op til. ‘Maar wie in het circus heeft al deze eigenschappen? Had L. Santorini maar gewoon iemand aangewezen!’, schetterde de Olifant. ‘Dat heeft hij ook gedaan. Hij wees ons aan. Alle drie.’ De Leeuw had het begrepen. Hij schreed naar voren en overhandigde de sleutel aan de Aap. ‘Wil jij het kistje voor ons openen?’ Ook de Olifant zag nu in dat de oplossing heel eenvoudig was en reikte de Aap zijn sleutel aan. Deze bundelde de drie sleutels en stak ze in het slot. Met een droge klik werd het kistje geopend. Het was leeg, maar iedereen wist wie de nieuwe directeur van het circus zou worden.

De volgende dag werd L. Santorini met een knalvoorstelling uitgeleide gedaan door alle leden van het Circus LeApOli. Nieuw management vereist een nieuwe voorgevel. L. Santorini zou het zo gewild hebben.

© Rob Geukens (2012)

Dit verhaal dateert uit 2012 en werd ingezonden voor de schrijfwedstrijd ‘Het Mooiste Testament’. Het belandde op de shortlist en werd tijdelijk online gepubliceerd.

 

Plaats een reactie