Kraaloogjes

Het is 1042 dagen geleden sinds ik de verwoeste stad ontvluchtte en 231 dagen geleden sinds ik voor het laatst een ander mens tegenkwam. Dat liep niet goed af: het was hij of ik. Ik was sterker. En hongeriger. Ik jankte om het verlies, van de laatste ander en van mijn eigen menselijkheid. Maar ik wilde leven. Het is 209 dagen geleden sinds ik vlees at – van welke soort dan ook.

Mijn vingers wroeten de aarde om, nagels als schoppen, vingertoppen vereelt. En toch gevoeliger dan ooit voor de streling over een knol, een regenwurm of een wortel. De knollen zijn voor mij, de regenwurmen voor Hugin. Mijn laatste gezel op de kale aarde is een zwarte kraai. Ik vond hem, verstrikt in ijzerdraad. Eten of gezelschap, de vraag moest niet eens worden gesteld. Hugin kijkt me aan met dat scheve kopje terwijl ik op handen en knieën zit, de neus dicht bij de grond als een truffelzwijn. De gedachte aan spek doet mijn zwerende mond wateren. Mijn tong verkent de gaten waar ooit tanden zaten. Ik vind een worm en werp hem op. Hugin werkt hem binnen.

Ik kan mijn ribben tellen, maar doe het niet te vaak. Flarden herinneringen aan zomerse barbecues doen mijn maag samentrekken. Knollen vind ik nog zelden. Wormen wel. Ik kijk naar Hugin en betrap me op het maken van een rekensom. Het vlees van mijn vriend zou me een extra week kopen. Koude regen plenst op mijn rug, het weer bestraft meteen de gedachte. Hugin vlerkt op en zet zich op een dode boomtak. Ik wroet in het slijk en vind alleen nog wurmen.

Gisteren vond ik een gebroken autospiegel naast de overwoekerde snelweg. Wat verderop: een wrak, grondig leeggeplunderd. De spiegel weerkaatst hard mijn uitgemergelde beeltenis. Hugin strijkt neer op het dak van het wrak. Zijn kraaloogjes staren me aan, het kopje gaat weer scheef. ‘Gelukkig heb ik jou nog.’ Ik strek mijn hand uit, onnozel. Hugin fladdert op. Hij laat zich aaien noch vangen.

Vannacht droomde ik dat ik Hugin opat. Ik werd wakker met een nat gelaat. Uit welke bron ik die tranen nog kon putten weet ik niet. Maar Hugin vult steeds meer mijn gedachten. Zijn gezonde vlees. Zijn warme ingewanden. Kan ik mijn vriend tot prooi nemen? Een extra week, zeven dagen langer kans op redding. Zo diep ben ik gezonken.

Ik voel mijn krachten afnemen. Soms zak ik door een knie. Ik heb het koud, dan warm. Ik zet de langzaamste jacht uit de geschiedenis in. Ik slof achter Hugin aan, mijn handen klauwen lucht. De kraai hopt telkens een beetje uit bereik. Trouw tot het einde. Ik struikel, zak definitief door een knie en rol van een helling. Mijn ogen speuren de hemel af. Daar, de zwarte vleugels. Hugin cirkelt langzaam naar me toe. Mijn vriend. Hij landt op mijn borst, zijn kopje scheef. Kraaloogjes glinsteren. ‘Sorry.’ Een traan ontsnapt. Dan pikt Hugin in mijn oog. Het is hij of ik. En hij is sterker.

© Rob Geukens


Dit verhaal is een voorbeeld van een tekst die ik schreef op basis van een prompt en een beperking. De opdracht luidde als volgt: schrijf rond het thema ‘de strijd tussen mens en natuur’ een verhaal van maximaal 500 woorden. Er moet een zwarte kraai in voorkomen.

Hoe heb ik het er vanaf gebracht?

Een gedachte over “Kraaloogjes

  1. Pingback: Kraaloogjes: een kijk onder de motorkap – Imprimatur

Plaats een reactie