In een vorige post konden jullie een flitsverhaal vinden dat geïnspireerd werd door een prompt, beperkt werd door een thema en een plafond voor het woordenaantal (maximaal 500 woorden).
Hoe schrijf je nu een verhaal dat zo weinig ruimte krijgt om zichzelf te ontwikkelen? Wie graag schrijft zonder het verhaal vooraf te plannen zal het wellicht moeilijk krijgen om de opdracht tot een goed einde te brengen. Elk verhaal moet in principe voldoen aan een aantal minimale vereisten om de lezer te boeien. Die vereisten komen later nog uitgebreider aan bod in aparte posts, maar hier volgen alvast enkele krachtlijnen:
- Je verhaal heeft een begin (haak), midden (ontwikkeling) en einde (pay-off) (= verhaalboog). Het begin stelt als het ware een dramatische vraag, die in de loop van het verhaal verder ontwikkeld wordt en op het einde wordt beantwoord. De spanning die wordt opgewekt door de vraag drijft het verhaal naar het einde.
- Je verhaal heeft een protagonist. De lezer voelt een vorm van empathie voor de protagonist en/of zijn motieven (= iemand om voor te supporteren).
- Je protagonist wil ‘iets’ (= iets wat de handeling van de protagonist drijft). Vaak wordt dit ‘iets’ duidelijk tijdens het begin van het verhaal: een gebeurtenis maakt duidelijk wat de protagonist wil of moet bereiken.
- Er is een tegenkracht of antagonist (mensen, gebeurtenissen, natuur, zelfs gedachten en ideeën) die het de protagonist moeilijker maakt zijn gewilde ‘iets’ te bereiken (= iets wat conflict genereert). Uit conflict ontstaat drama dat de lezer aan het verhaal gekluisterd houdt.
- De protagonist ondergaat een verandering tijdens het verhaal, hoe minimaal deze ook moge zijn. Aan het einde is ze niet meer volledig hetzelfde als in het begin.
Zijn al deze elementen op een of andere manier aanwezig in je verhaal, dan zou het juist moeten aanvoelen bij de lezer. Ontbreekt er een element? Dan is de kans reëel dat je lezer zich bedrogen zal voelen of niet geraakt wordt door je verhaal. Zelfs wie allergisch is voor het plannen van schrijfwerk doet er goed aan haar verhaal na te lezen en op zoek te gaan naar bovenstaande elementen. Ontbrekende elementen kunnen dan in een tweede passage worden toegevoegd.
Voldoet het verhaal ‘Kraaloogjes’ aan deze voorwaarden?
Opgelet: het volgende deel bevat spoilers 🙂
Het verhaal is een overlevingsplot, waarbij de mens in strijd met de natuur verwikkeld is, maar ook met zijn eigen moraal die in de nieuwe harde omgeving hopeloos achterhaald lijkt. Wanneer we het verhaal uitbenen komen we uit op de afzonderlijke verhaalelementen:
1. Begin: onze protagonist probeert te overleven in een verwoeste wereld. Midden: hij moet zich verlagen om dit leven in stand te houden. Einde: het einde is letterlijk nabij wanneer de kraai zich op hem stort.
Extern wordt de verhaalboog dus bepaald door de wil tot overleven. Zal onze protagonist overleven? Hoe speelt hij dit klaar? De laatste zin maakt duidelijk dat hij het niet zal halen.
2. Er is een protagonist. Of de lezer iets voor hem voelt, kan ik moeilijk beoordelen. Ik heb wel geprobeerd een aantal technieken toe te passen die er doorgaans voor zorgen dat we empathie voelen voor iemand: tonen dat hij verscheurd wordt door de moeilijke keuzes die hij heeft moeten maken om te overleven; tonen dat hij genegenheid voelt voor een ander levend wezen (de kraai); tonen dat hij zijn menselijkheid probeert te bewaren door een vriendschapsband met het beestje te ontwikkelen…
3. Onze man wil ‘iets’, namelijk overleven. Dit ‘iets’ wordt duidelijk in het begin, wanneer we vernemen hoe ver hij al gegaan is om dit ‘iets’ te bereiken: hij heeft anderen gedood. Tegelijk leren we dat hij nog iets anders wil: een kern van menselijkheid en mededogen behouden in een keiharde wereld. Hij koestert de gedachte dat er nog vriendschap mogelijk is, als is dat dan enkel met een kraai.
4. De antagonist in een overlevingsplot is de vijandige omgeving. In dit geval geeft de natuur weinig houvast aan onze man om te kunnen overleven, zijn de weinige mensen die hij nog tegenkwam hem vijandig gezind en krijgen de dieren de bovenhand. De omgeving lijkt erop gebrand het streven van onze man om te overleven te dwarsbomen.
5. Onze protagonist verandert: lichamelijk wordt hij zwakker en magerder, maar veel belangrijker nog: in het begin leeft hij nog en gaat hij ver om dit zo te houden. Op het einde staat hij op het punt aangevreten te worden door de kraai. Hij verzet zich niet langer en geeft zich over aan de naderende dood. De menselijkheid die hij probeerde te bewaren door zijn (ingebeelde?) vriendschap met de kraai maakt hem nu weerloos tegen de pikkende snavel.
Deze analyse is uiteindelijk langer geworden dan het verhaal! Ik hoop dat het ontleden van deze tekst wat inzicht geeft in de mechaniek die achter een goed verhaal schuil gaat. Als lezer besef je misschien niet altijd hoeveel ambacht in een verhaal wordt gestoken door de schrijver. Dat hoeft ook niet. Door jarenlange blootstelling aan goede verhalen heb je als lezer een intuïtief aanvoelen ontwikkeld van welk verhaal ‘werkt’ en welk niet. Als schrijver heb je wellicht hetzelfde aanvoelen ontwikkeld, maar het kan geen kwaad je eigen teksten na te kijken op de bovenstaande essentiële verhaalelementen en indien nodig bij te sturen. Ontbreekt er eentje, dan riskeer je dat je lezer afhaakt omdat het verhaal niet juist aanvoelt. En dat zou jammer zijn voor jullie allebei.