Een kijk onder de motorkap – Zoetekauw

Opgelet! Deze post bevat spoilers over het verhaal ‘Zoetekauw

Deze schrijfwedstrijd van Schrijven Online riep op tot het schrijven van een (kort)verhaal van maximaal 500 woorden. Het moest gaan om een (modern) sprookje dat gebaseerd is op een krantenartikel over de arrestatie van een chocoladedief in Overijssel. Eerst was ik niet van plan deel te nemen aan deze wedstrijd. Het thema was wel leuk, maar ik had geen idee hoe ik er aan moest beginnen. Dat is natuurlijk geen geschikte opstelling voor iemand die wil bloggen over het vinden van een goed verhaal. Dus besloot ik om het toch te proberen en jullie mee te laten kijken naar het hele proces.

  1. Genre

Eerst en vooral moet ik bepalen in welk genre het verhaal zich afspeelt. De opdracht vraagt om een sprookje. Aan elk genre zijn bepaalde conventies verbonden: verplichte elementen die het verhaal ‘typisch’ maken voor het genre. Welk zijn nu de conventies van het genre ‘sprookje’? Welke elementen moet ik zeker mee nemen in dit kortverhaal zodat het voor de lezer aanvoelt als een sprookje en niet als een fantasy-verhaal? De genre-conventies kunnen we enkel achterhalen door een flink aantal klassieke sprookjes te bekijken en op zoek te gaan naar gemeenschappelijke elementen. Hier volgen enkele voorbeelden:

– Goed versus kwaad: het sprookje heeft steeds een kernelement in zich waarbij het goede zich (met succes) verweert tegen het kwade. Sneeuwwitje vs. haar moeder; Doornroosje en haar feeënhelpers tegen de tovenares; Klein Duimpje tegen een kannibalistische Reus;

– Het bovennatuurlijke: elk sprookje bevat een fantastisch element. Het speelt zich af in een onbestemd land waar natuurwezens rondwaren (dwergen, draken, heksen, reuzen, …), er bestaat magie in de wereld van het verhaal, mensen veranderen er van gedaante, er wordt een magisch voorwerp gezocht, gevonden en gebruikt om een probleem op te lossen, …

– De hoofdpersoon is een kind of verpersoonlijkt de onschuld en de puurheid van een kind. Hierdoor is er een groot contrast met de kwade tegenkracht. Er is weinig morele ambiguïteit in het spel.

– Er is een duidelijk onderliggend thema dat als een waarschuwing of les kan worden opgevat, vaak op meerdere niveaus. Roodkapje: ga niet alleen naar het bos, het is er gevaarlijk (zinvol in de tijd dat het werd geschreven); dieper nog: de seksuele naïviteit van het onschuldige meisje wordt belaagd (ik verzin dit niet). Sneeuwwitje: overdreven nadruk op het oppervlakkige leidt tot je ondergang / wie overdreven streeft naar schone schijn verbergt vermoedelijk een verrot hart. De nieuwe kleren van de keizer: ijdelheid is het zoeken naar erkenning, maar leidt tot spot. Hans en Grietje: wie gulzig is wordt zwaar bestraft (dit geldt in eerste plaats voor de kinderen, maar is uiteindelijk vooral van toepassing op de heks zelf, die door haar drang om Hans op te eten enkele fatale inschattingsfouten maakt). Vele sprookjes waarschuwen voor het ‘pact met de duivel’ of voor het verkrijgen van gunsten van toverwezens waar men achteraf een dure prijs voor betaalt (Repelsteeltje, Doornroosje, …)

Om een modern sprookje te schrijven moeten bovenstaande elementen dus op de een of andere manier worden verwerkt in het verhaal.

Zie ook dit artikel voor een overzicht van mogelijke thema’s.

  1. Thema

Je hoeft niet vooraf je thema te bepalen als je dat niet leuk vindt. Maar het helpt wel enorm wanneer je het doet. Wie zijn thema kent (de onderliggende boodschap of rode draad) zal het veel eenvoudiger vinden om haar verhaal bij de les te houden en onnodige zijsprongen te vermijden. Ken je je thema niet, dan riskeer je een deel van je verhaal achteraf te moeten schrappen om aan je vereiste woordaantal te komen of omdat je vaststelt een aantal passages te hebben geschreven die weinig bijdragen aan het verhaal.

Voor dit verhaal moest het thema voor mij draaien om chocolade en alles wat we hiermee associëren: zoetheid, endorfines, de verboden vrucht, iets waar we maar moeilijk weerstand aan kunnen bieden, iets wat eigenlijk niet zo goed is voor ons maar wat aan ons lijkt te trekken. De onderliggende boodschap zou kunnen zijn: aan sommige verleidingen kan je maar beter proberen te weerstaan. Sommige snoepjes zijn giftig.

  1. Verhaalideeën

Je kan rond de opgave ideeën beginnen genereren vanuit een aantal verschillende invalshoeken, waaruit je uiteindelijk de meest interessante selecteert:

– Omtrent de identiteit van de dief: bv. ze wordt gedwongen door iemand om dit te doen; ze is de heks van Hans en Grietje die regelmatig haar huisje moet oplappen; Ze is een oeroud wezen dat vroeger door de bossen zwierf en door de ontbossing en de uitbreidende dorpen en steden naar de mensenwereld gedwongen wordt om zich te voeden, een beetje zoals beren en vossen nu rondwaren in steden?

– Omtrent haar motieven: bv. diefstal is verkeerd, maar haar motieven zijn goed: Ze deelt het uit aan behoeftigen, aan een bedlegerige man, aan een sprookjesvolk dat uit vreemde streken naar het stadspark van Diepenveen is getrokken en daar nu overleeft tussen de struiken; ze heeft het nodig om een belangrijk werk te verrichten om een verschrikkelijk kwaad te keren, waardoor het goede speurwerk van de politie eigenlijk een slechte ontwikkeling in gang zet, …

– Omtrent de scene van het (erg korte) verhaal: voor de aanhouding of erna (is de aanhouding een hoogtepunt, waarbij de lezer intussen haar achtergrond kent en hoopt dat ze niet zal worden gepakt? Is de aanhouding de beginhaak en betreft het verhaal een reconstructie of zelfs het verhoor van de dame, die gaandeweg haar verrassende motieven onthult?)

  1. Scène

Naar vorm vereist het kortverhaal dat je je beperkt in het aantal scènewisselingen, om de lezer niet te verliezen en het verhaal voldoende te kunnen ontwikkelen. Vaak beperkt het zich zelfs tot een enkele scène of een enkele locatie. Deze keuze wordt medebepalend voor je verhaalontwikkeling. Je kan in een erg kort verhaal geen zeven jump cuts doen zonder de lezer te verliezen. De juiste keuze van scène of locatie zal een flink deel van de toon bepalen en beperkt meteen je opties.

Voor dit verhaal koos ik uiteindelijk voor de verhoorkamer van de politie als locatie en scène. Deze keuze beperkt meteen de hoeveelheid informatie die we moeten geven om de lezer te vertellen over de omgeving. Iedereen kan zich een gesloten, raamloze kamer inbeelden, eventueel met een doorkijkspiegel. De meeste woorden kunnen dan worden gewijd aan de ontwikkeling van het drama zelf.

Eens de invalshoek (de heks van Hans en Grietje is de dief) en de scène gekozen, schreef het verhaal zichzelf. De keuze van de verhaalclimax maakt echter wel dat het verhaal niet langer geschikt is al een klassiek sprookje met onschuldige kinderen in de hoofdrol.

 

Plaats een reactie