De zwijgende man stapt behoedzaam door de modderige kronkelstraatjes van Dunwich, er zorg voor dragend niet te trappen op een van de rottende lijken die op de stoepen voor armtierige arbeidershuisjes zijn opgestapeld. Hij neemt diep adem en ruikt lavendel, komijn, citroengras en vers stro. Zijn werkdag – of eerder nacht – vangt aan.
Onder dekking van het invallende duister begeeft hij zich naar een huis dat onder normale omstandigheden als statig zou kunnen worden omschreven. Nu de zwarte dood verderf zaait in Dunwich en geen onderscheid meer maakt tussen rijk, bemiddeld en luizenarm, is het een sterfhuis zoals elk ander krot het zou kunnen zijn. De dood heeft het huis van de burgemeester al twee maal bezocht, en te oordelen naar het bloedrode kruis dat met haastige streken tegen de voordeur is aan gekwakt, zal hij spoedig een derde keer langs komen. Met zijn lange staf klopt de zwijgende man op de eiken deur. Hij draagt er zorg voor het gebarsten hout niet met zijn handen te beroeren. Hij bestudeerdt de nog druipende verf – of is het schapenbloed? – en wacht. Hij ademt diep in. Nu komt de geur van tijm bovendrijven en nestelt zich prikkelend in zijn neus.
De deur zwaait open. De scharnieren uiten luid kreunend hun tegenzin om deze in het zwart geklede vreemdeling binnen te laten. Een gelaat verschijnt, dieper doorgroefd nog dan de deur is geweest. Verdriet heeft onuitwisbare sporen getrokken in dit gezicht. Waar de dood de ene haalde, trof hij meteen ook de andere, als een waarschuwing voor wat onvermijdelijk ooit zou komen. Ik kom terug.
De burgemeestersvrouw trekt een grimas en wijkt achteruit. De zwijgende man schrijdt binnen. Hij is het intussen gewoon weerzin te zien op de gezichten van wie hij bezoekt.
De ontvangstkamer is donker en wordt slechts verlicht door de vlam van een enkele flakkerende kaars. De vrouw wenkt hem verder te komen. De zwijgende man volgt haar. Hij neemt geen aanstalten zijn zware mantel af te nemen. Niet hier. Niet nu. Hij voelt hoe een zweetdruppel zich langzaam losmaakt van zijn voorhoofd en zich een weg langs zijn gelaatstrekken naar beneden parelt. Het is drukkend warm in zijn pak. Een deur zwaait open en de burgemeestersvrouw gebaart hem binnen te gaan. Zelf blijft ze in de ontvangstkamer achter, alleen en schijnbaar nog wat kleiner dan daarnet.
De werkkamer van de burgemeester wordt enkel verlicht door de vlam van de kaars in de ontvangstkamer, die een groteske schaduw van de bezoeker de ruimte in werpt, als een vogel uit een schimmenspel.
De linkermuur van de kamer is volledig bedekt met een boekenkast die van de vloer tot het plafond reikt. Hier wordt het register van de gemeente Dunwich bewaard en plichtsgetrouw bijgehouden. Alle landerijen en bezittingen, geboorten, huwelijken, vertrekkers en inwijkelingen, alle overlijdens worden hier in dikke bundels in leder gebonden papier opgetekend. De biografie van een gemeenschap. Sinds kort worden vooral vertrekkers geakteerd, en sinds de afzonderingsmaatregel enkel nog overlijdens. Nu de gemeenteklerk ligt te rusten in een anoniem massagraf op de gemene gronden net buiten Dunwich, heeft de burgemeester de taak op zich genomen de registers aan te vullen. Met elke opgetekende naam wordt zijn gemeenschap kleiner en verschrompelt Dunwich verder.
Met het op zich nemen van deze plicht heeft hij uiteindelijk ook zelf de zwarte dood in huis gehaald. Een of andere stumper die de dood van een ouder, kind of buur kwam melden moet zelf drager zijn geweest van de plaag, of heeft de deur te lang open gelaten en het kwalijke miasma de kans gegeven zich een weg naar binnen te banen.
Eerst nam de schaduw zijn jongste dochter mee, daarna zijn oudste. Wanneer de zwijgende bezoeker de kamer afspeurt en de burgemeester uiteindelijk treft naast een raam in de achterste muur, weet hij dat de dood hier spoedig opnieuw zal langskomen. Misschien dwaalt hij hier al rond, houdt hij zich op in de schaduwen, wachtend op een kans om toe te slaan.
De burgemeester, een kalende man van veertig, torst een stevige buik die het gevolg is van een leven vol welstand en copieuze maaltijden. Toch lijkt zijn gezicht nu ingevallen te zijn en zijn ogen omkringd met zwarte wallen en diepe schaduwen.
Hij staart uit het raam naar de straten van Dunwich en zucht. De zwijgende man hoort meteen dat de burgemeester aamborstig is en raspend ademt. Vingers maanlicht dringen door het groezelige raam naar binnen en bestrelen een dikke bult op zijn linkerwang. Het is slechts een kwestie van tijd voor deze zal openbarsten en de stinkende pus zal uitbraken die zo besmettelijk lijkt te zijn.
‘Je bent gekomen.’
De burgemeester kijkt zijn bezoeker zijdelings aan, maar blijft zitten op het bankje bij het raam. ‘Elke dag sinds de uitbraak. Mijn meest getrouwe bezoeker.’ De burgemeester begint schokkend te lachen, een lach die nat en kleverig klinkt en uitloopt in een schurende hoestbui die zijn weelderige pens doet schudden. Hij spuwt vloekend op de grond.
Hier en daar ontsieren bloedvlekken de vloer van dennenplanken. In het maanlicht lijken ze zwart. De burgemeester recht zich en kijkt weer uit het raam. ‘Natuurlijk kom je elke dag. Je geeft immers om ons. Om Dunwich.’ De zwijgende man blijft roerloos staan. Hij ademt oppervlakkig en ruikt rozenblaadjes, gras en munt. Hij voelt zuur opborrelen in zijn maag.
‘Hier. Neem dit en ga.’ De zwakke worp van de burgemeester doet de zak geld als een verwijt op de vloer ploffen, zowat halfweg tussen hen in. ‘Neem je geld en doe je goede werken, nu het nog kan. Voor mij is het te laat. Te laat, Witte Vogel.’
De zwijgende man treedt aarzelend naar voren en strekt een gehandschoende hand uit naar de zak. Zijn schaduw sluipt verder over de muur. Even lijkt het alsof inderdaad een grote vogel de kamer is binnengevlogen en de burgemeester overmant. De zwijgende man richt zich weer op. Hij draagt er zorg voor niets in de kamer aan te raken met zijn masker, dat hem zou moeten beschermen tegen infectie. Hij ademt sneller nu. De glazen openingen in zijn masker die hem moeten toelaten om zich heen te kijken, beginnen aan te dampen door zijn adem. Hij probeert zich weer in de hand te krijgen en zijn ademhaling te controleren. Hij zuigt de lucht diep in door zijn getuite lippen en houdt hem tien tellen lang binnen.
Het stro dat de bek van zijn masker vult begint duf te ruiken. Een vleugje munt en salie stijgt eruit op. Hij zet een stap in de richting van het raam en heft zijn stok. ‘Laat me, ik weet wat er met me aan de hand is.’ De burgemeester slaat met een wapperende hand naar de punt van de staf, zonder hem te raken. De zwijgende man aarzelt. ‘Ik heb het genoeg gezien om te weten wat me mankeert. En te weten dat er nu niets meer aan te doen is. Eerst…mijn kleine Suzie.’ De stem van de man breekt en hij wendt met een ruk het gelaat af. Het maanlicht werpt een spookachtige schaduw over zijn ogen, zodat het even lijkt of er een skelet voor het raam zit. De man slikt een brok verdriet weg. ‘Toen onze Maggie… vertel me eens doc, hoe denk je mij te redden als je zelfs geen jonge meisjes kan genezen? In de kracht van hun jeugd? Weg.’
De burgemeester wendt zich nu volledig van zijn bezoeker af en gaat met opgetrokken knieën op het bankje zitten. Hij lijkt kleiner zo, kwetsbaar. De schaduw hangt al over hem. De zwijgende bezoeker keert zich om en staptt de werkkamer uit. Achter zich hoort hij de burgemeester jammeren. ‘Ik zie je morgen wel, als ik er dan nog ben. Zorg voor de anderen. Zorg voor hen. Zorg voor mijn meisjes…ik zie je morgen?’
De zwijgende man diept een krijtstok op uit zijn zwarte mantel en markeert het rode kruis op de deur met een witte streep. Hij begeeft zich het verlaten marktplein van Dunwich op en klopt aan bij elk huis waar een rood kruis op de deur geverfd is. De bewoners van deze negorij bekijken hem steeds alsof hij het was die de zwarte dood hun armzalige krotten heeft binnen geleid, alsof de zwarte kraai die gaten in hun levens pikte zich met hem vereenzelvigt.
Natuurlijk, zijn uitrusting heeft weinig geruststellend voor zijn patiënten. Een lange, zware, donkere mantel die ondoordringbaar is gemaakt voor regen en ander vocht. Nauwsluitende kledij die zijn huid vrijwaart van elk contact met kwalijke invloeden. Een lange, dunne stok om de zieken mee te kunnen porren en onderzoeken, zonder met hen in contact te hoeven komen. En een grotesk masker, als een topstuk uit een mommersklucht, een hard, wit geval met grote ronde, glazen ogen en een uitstekende vogelbek. Ze noemen hem de Witte Vogel, en ze haten hem om hoe hij eruit ziet. Hoe vaak hij ook uitlegt dat het uitsteeksel van het masker gevuld is met stro om de lucht te zuiveren en met kruiden om de dokter te behoeden voor braken, ze begrijpen het niet.
Waarom mag een dokter niet ziek worden wanneer al de anderen stierven als beesten? Waarom kleedt de brenger van hoop en leven zich als een zwarte boodschapper van de dood? Hij putte zich uit in uitleg en excuses, in verklaringen en verontschuldigingen, en uiteindelijk ook in verwensingen. En toen begon hij te zwijgen. Niemand wil begrijpen dat er geen hoop is. Geen gekend medicijn. Wie overleeft, doet dit omwille van redenen die voor iedereen behalve God onbekend zijn. Hij heeft sterke mannen zien verteerd worden in minder dan twee etmalen, en kleine baby’s zien overleven.
Het enige wat hij kan doen is de zieken bezoeken, hen in afzondering zetten en hun pijnen tijdelijk verlichten terwijl het stadje bidt om genezing. Tot de gesel uitgeraasd is en de laatste zieken dood of genezen zijn. Tot dan zal Dunwich in afzondering blijven en is iedereen gebonden aan zijn woning. Enkel de Witte Vogel, de pestdokter, fladdert van deur tot deur om de zieken te bezoeken. In zijn kielzog fladdert vaak een nog donkerdere schaduw mee de huizen binnen.
Daar, aan het einde van de steeg, wacht hem de laatste zieke van de dag. Waarom gaat hij hier nog naar binnen? Al een halve week geleden was duidelijk dat ze het niet zou redden. Ze was opgeschreven, en ze wist het. In haar ogen heeft de afschuw en de angst voor zijn witte masker plaats gemaakt voor wat anders, iets wat hij slechts af en toe tegenkomt in Dunwich. Hoop. De hoop op verlossing.
De pestdokter heeft het eerder gezien, die schittering in troebele ogen. Hij heeft ermee geworsteld. Hij voelde zich onmachtig. Tot hij begreep dat hoop vele dingen kan betekenen. Dat genade vele vormen aannam.
Eerst maakte de gedachte alleen al hem misselijk. Dit kon hij niet doen. Hij had eden gezworen. Hij vreesde voor zijn onsterfelijke ziel. God zou het afkeuren. Dat was hem toch zo geleerd.
Op een dag was hij thuis gekomen bij zijn lieve Mary. Hij wilde zijn besmette overjas afwerpen in de stal, de muffe kruiden uit zijn masker kloppen en verbranden in het haardvuur. Hij wilde zich in haar omhelzing opkrullen en zijn ogen sluiten, slapen, slapen onder haar geruststellende strelingen. Getroost worden door haar sussende stem. Vergeten.
Hij stond voor de deur en durfde niet naar binnen gaan. De rode kleur druppelde nog. De vochtige strepen op zijn eigen deur waren als kerven in zijn ziel. Hij hield zijn masker op, rechtte zijn rug en duwde de deur open.
Mary schrok niet toen ze hem zag binnen komen. Ze had hem zo vaak zijn last zien omgorden, zich zien uitdossen om zijn zinloze ronde aan te vatten. Ze glimlachte droef naar hem. Haar ogen waren rood omrand, ze had gehuild. Op de rug van haar linkerhand stond het teken, onmiskenbaar.
Hij voelde een onweerstaanbare drang zijn sombere kledij af te werpen en haar te omhelzen, haar te overdekken met zoenen, haar te troosten zoals zij hem elke dag had getroost. Maar hij wist dat het niet kon. Ze hadden het hier vaak over gehad.
‘Als het moment komt, wil ik niet lijden. Ik wil niet dat jij me ziet lijden.’ Hij had een nieuwe eed moeten zweren. Een afschuwelijke eed. Hij had het gezworen, uit liefde voor haar. Hij had gedacht, gehoopt en gebeden dat hij ze nooit zou moeten gestand doen. Tot het toch moest.
Hij zou het doen. Uit liefde voor haar. Voor de menselijkheid. Zijn opleiding en ervaring hadden hem geleerd op welke manier de genade snel en pijnloos kon worden verleend.
Vreemd genoeg voelde hij zich niet bang. Nu de zekerheid van het afscheid zich aandiende, was alles helder en kalm. Hij voelde een aanwezigheid. Terwijl hij afscheid nam van zijn geliefde, voelde hij hoe een ander soort liefde hem in haar vleugels nam en verwarmde. Hem begeleidde en steunde. Was dit ook Gods wil?
Hij weet dat wat hij soms doet tegen de wetten der mensen is. Het kan hem het leven kosten. Hij moet omzichtig te werk gaan. De genade wordt enkel verleend aan de eenzamen, in bijna lege huizen. Enkel de zieke en de Witte Vogel weten het, voor eeuwig aan elkaar geklonken in een pact van stilzwijgen. En hij voelt steeds opnieuw die onzichtbare aanwezigheid, die zijn warme vleugels om hen heen slaat.
Sinds hij Mary’s wens vervulde en daarmee meteen een kruis trok over zijn oude leven, voelt hij zich niet langer alleen in de straten van Dunwich. De mensen duiken nog steeds weg wanneer ze hem zien, vermijden hem koste wat het kost. Maar achter sommige muren wacht men hem op, verwelkomt men hem. Nu de zwarte dood met zijn kraaloogjes hun levens is binnen gefladderd, is al hun hoop op verlossing gevestigd op de Witte Vogel.
Tot hij op een dag meer dan Gods aanwezigheid voelt in de straten van Dunwich.
Hij merkt de schaduw voor het eerst op bij valavond. Hij kan hem zien vanuit zijn ooghoeken. Hij houdt zich op in donkere stegen, volgt hem van huis naar huis.
Na zijn laatste bezoek van de dag loopt hij door de verlaten stegen. Het is een maanloze nacht. Enkel de sterren fonkelen aan het zwerk als een mantel, bedekt met diamanten. Voor hem duikt een spookbeeld op, een nachtmerrie. Het lijkt alsof een reusachtige, vaalbleke kraaienschedel uit het absolute zwart opdoemt, voortgestuwd door monsterachtige zwarte vlerken.
Hij keert zich om en zet het op een lopen. Zijn zware mantel hindert zijn passen, zijn masker belemmert hem het ademen. Zweet druipt van zijn rug en zijn voorhoofd. De glazen kijkgaten dampen helemaal aan. Bijna struikelt hij over zijn stok.
Hoe heeft deze Witte Vogel hem kunnen vinden? Het is onmogelijk, hij is altijd zo voorzichtig geweest. Hij heeft de juiste voorzorgen genomen. God staat aan zijn zijde. Het kan niet, nee, mag niet gebeurd zijn. Een gescheurde naad, misschien? De afsluiting van zijn masker? De geurige kruiden zelf waarmee hij de bek elke dag vult? Heeft hij zelf de dood mee binnen gebracht en deze, een ademteug per keer, onwetend opgesnoven?
De andere pestdokter reikt hem de hand. ‘Het spijt me zo’, zegt hij.
***
Onder dekking van het invallende duister begeeft hij zich naar een statige woning. De rode verf is in de deur gedroogd en lijkt nu eerder bruin.
Hij klopt op de deur met zijn lange staf. Hij ademt diep in. De geur van modder en ozon nestelt zich prikkelend in zijn neus. Er is onweer op komst.
De deur zwaait open. Het gelaat dat verschijnt draagt nog de sporen van de afschuwelijke aandoening die hem tot voor kort fataal leek te zullen worden. De burgemeester glimlacht droef en wenkt zijn bezoeker binnen.
‘Dag Witte Vogel. Ik had je niet meer verwacht.’
De dokter stapt zwijgend binnen in de ontvangstkamer en volgt de burgemeester naar zijn werkkamer. Een zesarmige kandelaar werpt flakkerend de schaduwen naar de uithoeken van de kamer.
‘Ik ben blij dat we elkaar weer rechtstreeks in de ogen kunnen kijken, doc. Al zie je er net zo gehavend uit als ik.’
De dokter tast nadenkend over het litteken op zijn voorhoofd. De pijn is al een week of twee weg gebleven en de wonde is opgedroogd. Hoe barbaars en meedogenloos de zwarte vogel ook in het rond heeft gepikt, hij heeft niet iedereen in Dunwich te pakken gekregen. En zelfs diegenen die hij te grazen nam, gingen niet allemaal dood.
‘Neem een stoel dokter. We hebben veel te bespreken.’
De dokter gaat zitten en begint zachtjes heen en weer te schommelen in de krakende stoel.
‘Ik neem aan dat je nog steeds een man van rum bent?’
De burgemeester wacht niet af en vult een twee bekers.
‘Morgen zal het een week zijn. Een week sinds het laatste overlijden in Dunwich. En bijna drie weken sinds de laatste nieuwe besmetting.’ De burgemeester gebaart met zijn beker in de richting van zijn bezoeker en neemt een slok. De dokter drinkt mee. De rum prikt in zijn keel en warmt zijn borst. Hij kucht droogjes.
‘Zo God het wil, blijven we vanaf nu gespaard van deze gesel.’
De dokter knikt. Drie weken geleden was hij ervan overtuigd geweest dat zijn dagen geteld waren. Hij had zich voorbereid op zijn dood en gewacht. Hij besloot geen ronde meer te doen. Het risico leek hem te groot dat hijzelf nu de oorzaak zou worden van nieuwe besmettingen. Hij brak zijn stok over zijn knie en verbrande hem samen met zijn zware mantel en het masker.
Sinds die dag waren er geen nieuwe besmettingen geweest. De dokter zelf overleefde de ziekte. Op zijn ziekbed kon hij voor het eerst helder nadenken over de dingen. Een griezelige helderheid. Confronterend.
Nu is de kwelling voorbij. Wat ook de oorzaak van de ziekte is geweest, ze lijkt Dunwich te hebben verlaten. Weg gevlogen op donkere vleugels.
De dokter neemt nog een slok en grijnst. Genade bestaat inderdaad in vele vormen.
© Rob Geukens
Dit stuk werd gepubliceerd in het boek Zwaarden van Knoflook.