Ik kijk naar mezelf in de spiegel en zie jou.
Je zit achter mij, voor je eigen spiegel. Jij kijkt naar jezelf en ziet iets waar ik alleen maar naar raden kan. De kapster fladdert om me heen en probeert te redden wat er te redden valt. Ze knipt flarden van mijn leeftijd af en lokt de jongeman in me naar boven. Hij raakt mettertijd steeds meer overgroeid.
Nog even en er is geen kappen meer aan, dan verdrinkt het kalf en blijft een opgeblazen koeiekop over. Nog even.
De kapster probeert mijn muur van stilzwijgen te slechten met vraagjes en voorzetten die ik koppig negeer. Ze weet niet dat ik een kappersbezoek net onder een tandartsbezoek rangschik op de klamme handjesmeter. Net.
Ik kijk in de spiegel en zie zo’n muur ook tussen jou en jouw kapster staan. Je zegt geen woord en kijkt aandachtig in de spiegel. Dan vang je mijn blik en glimlacht. Ook jouw kapster haalt de jongeman in je naar boven. Ik vermoed dat het punt waarop we elkaar als gelijkwaardigen ontmoeten niet ver meer af is.
Je wordt groot zoon. Ik denk dat ik je volgende kapperbezoek wat zal uitstellen.