Beter dan Umberto Eco

ecoIk zit op de Boekenbeurs. De boekenbeurs! Niet als bezoeker, maar als auteur. Ik zit achter een tafeltje van de Clavis-stand met een stapel exemplaren van mijn eigen boek, Op zoek naar de Vindeleer, voor mijn neus. Naast mij zit illustratrice Wilma van den Bosch. We hebben een gezellige babbel, en de marketingmedewerkster van de uitgever heeft ons net een nieuw mandje koekjes gebracht. Alles zit goed, het is aangenaam warm en de dag is nog jong. Ik heb al 0 boeken gesigneerd.

Zelf ben ik nooit echt een handtekeningenjager geweest. Met één uitzondering. Tijdens mijn studententijd heb ik speciaal voor een handtekening een boekenwinkel opgezocht. Ik liet me denk ik meeslepen door het enthousiasme van mijn medestudenten. En door het feit dat je een literaire god als Umberto Eco nu eenmaal niet door je stad mocht laten trekken zonder een bewijs van zijn bestaan aan hem te ontfutselen.

Ik dus naar de Standaard Boekhandel in de Naamsestraat. Er waren nog mensen met hetzelfde idee als ik, want de winkel stond eivol. Overal lagen torenhoge stapels van ’s mans klassiekers. Ik koos voor – uiteraard – De Naam van de Roos. Naast Het Verdriet Van België zou dat één van de meest verkochte en minst gelezen boeken in de Vlaamse boekenkasten zijn, dus ik bevond me in goed gezelschap. Ik keek om me heen. Overal klanten, maar god was nergens te zien. Ik zocht het achtereindje van de wachtrij die zich als een slang doorheen de winkel kronkelde. Of eerder: een bevroren polonaise van bibliotheekbezoekers die zich door het winteruur hebben laten verrassen.

Na enkele minuten wordt me duidelijk waar de kop van de slang precies uithangt: midden in de winkel duikelt een trap naar een verborgen benedenverdieping. Een voor een duiken opgeluchte kopers weer op, gesigneerde baksteen in de hand. Hupsakee, naar de kassa en de geduldige boekenkasten. Het duurt nog een halfuur eer de auteur in zicht komt. Onderaan de trap, tussen de stapels boeken, gebogen over de zoveelste opdracht. Hij arbeidt in het halfduister en ziet eruit alsof hij net in een lastige passage zit van een nieuwe klassieker. Nog even en ik heb mijn godsbewijs op zak.

Eindelijk. Ik zie hem, en hij ziet mij. Hij heeft een zeker ritme te pakken, dit is zijn sport van de dag. Hij reikt naar de stapel, neemt een exemplaar van De Naam van de Roos vast en hijst het met een grimas naar zich toe. Zijn schoudergewricht afgesleten door de uitentreuren herhaalde beweging? Even knijpt hij zijn ogen tot spleetjes, en dan grijnst hij breed en zet met grote halen een handtekening op de witte bladzijde. God ziet af, hier in zijn donkere kelder. De slang die hem belaagt lijkt er niet korter op te worden, en ik beeld me in dat hij honderd keer liever door de straten van Firenze of Genua zou struinen, mijmerend over de semiotiek. Ik bedank hem en haast me naar boven, naar de frisse lucht, mijn godsbewijs in de hand.

Ik heb De Naam van de Roos uiteindelijk ook gelezen, en het boek was beter dan de film. Maar het heeft me enkele jaren gekost voor ik er uiteindelijk aan begon. Al die tijd stond het daar in mijn boekenkast, te wachten tot het gelucht zou worden.

Terug naar de Boekenbeurs. Ik heb uiteindelijk 8 boeken gesigneerd: eentje voor mijn tante, vijf voor een vriendin en haar schoonfamilie, een voor Wilma en een voor mijn moeder. Ik heb mijn eigen publiek moeten meebrengen. ‘Kom alsjeblieft, ik ben bang voor de lege tafel.’ En ze zijn gekomen. Het was een leuke sessie, de lucht was adembaar en ik heb mijn schouder niet hoeven forceren. Ik dan dus alvast zeggen dat ik het op dat vlak beter heb gehad dan Umberto Eco. Nu maar hopen dat mijn boek niet eerst jaren in een kast moet chambreren voor iemand het leest.

Rob

Plaats een reactie