Jims Paasnacht

Een verhaal uit de wereld van de Vindeleer. Dit verhaal speelt zich af tussen boek 1 en boek 2 van de trilogie ‘Op zoek naar de Vindeleer In dit verhaal staat Jim Appelflap centraal, de deugniet die het niet kan laten de regels van het weeshuis te overtreden…

Het was iets over elf ’s avonds, en de rust was al even neergedaald over St.-Jude’s. De weeskinderen lagen te ronken in hun slaapzalen. Mevrouw Noggins sleepte zich slaperig voort achter haar druipende kandelaar aan. Ze verlangde intens naar het einde van haar wachtronde. Het was een drukke dag geweest, zoals altijd op de vooravond van een groot feest. Morgen was het Pasen, en de kinderen konden hun opwinding nauwelijks onderdrukken. Ze waren druk, renden van hot naar her, zetten de boel op stelten en maakten meer ruzie dan op andere dagen. Het leek wel alsof ze nu al last hadden van alle suiker die ze morgen zouden binnenkrijgen, in de vorm van chocolade eieren en snoepgoed.

De oude vrouw duwde vermoeid de deur naar haar kamer open, liet haar hond Rattekop eerst binnenlopen, en blies met een zucht de vlam van haar kaars uit. Nog geen vijf minuten later weerklonk het geluid van een ronkende kettingzaag. Ze sliep.

Dat was het teken waar één iemand op had gewacht.

’s Nachts, wanneer iedereen slaapt en de wereld stiller wordt, draagt geluid verder dan gewoonlijk. Het gesnurk van mevrouw Noggins was soms zo intens, dat de deuren rammelden in hun sponningen en de vloer zachtjes meetrilde. Wie op dat ogenblik nog wakker lag omdat hij de slaap niet kon vatten, of omdat hij zich net zoals Jim Appelflap met opzet had wakker gehouden, kon het signaal simpelweg niet missen.

‘De kust is veilig,’ fluisterde de jongen tegen zichzelf. Hij sloeg de deken op en glipte geruisloos uit bed. Even luisterde hij gespannen naar andere geluiden dan het trage gebrom van de opvoedster van St.-Jude’s, maar alle jongens in de slaapzaal leken diep in slaap. Jim gleed in zijn pantoffels en schoot zijn kamerjas aan. De nachten in april konden nog erg kil zijn.

De jongen tuurde om zich heen. Zijn ogen begonnen te wennen aan de duisternis. Hij kon stilaan de vormen van de stapelbedden om zich heen zien, en de deuropening. Hij omklemde zijn zaklamp. Die mocht hij enkel in uiterste nood gebruiken, want het felle licht zou hem meteen verraden en zijn missie om zeep helpen. Het vooruitzicht om op Paasdag gestraft te worden, deed hem huiveren. Hoewel het Hok niet langer als strafplek diende sinds Kat op avontuur was getrokken en de Vindeleer ontmoet had, bleef het voor Jim een nare plek. Er stonden nu allemaal boeken en enkele zetels. Als Jim Appelflap mocht kiezen tussen een uur in een donker Hok en een uur in de bibliotheek, dan koos hij voor het hok. Boeken vond hij eindeloos suf, tenzij er veel plaatjes in stonden. Geen zaklamp dus, tenzij hij echt in de knoei zat.

Jim liep zo stil mogelijk de gang in. Deze keer zou het hem lukken. Alles verliep volgens plan. Vannacht zou hij zich naar de tuin van het weeshuis begeven en zich verstoppen. Jims hand beklopte de zak van zijn kamerjas en voelde de geruststellende vorm van een opgerold stuk touw. Dat had hij eerder deze week uit het tuinhok weggenomen –geleend! – en er een lus in gelegd. De volgende dagen had hij vaak met die lus geoefend en hem als een lasso om allerlei voorwerpen heen gegooid. Gisteren mocht hij zelfs even oefenen op Georgie. De lasso ging vlotjes om de kleine jongen heen en snoerde zich strak om zijn middel.

‘Wanneer je de Paashaas vangt, krijg ik dan een deel van de buit?’ had Georgie gevraagd. Jim had hem de helft van alle chocolade eieren beloofd als Georgie maar zijn mond zou houden. Hij had niks gezegd over het snoepgoed. Dat zou helemaal voor Jim alleen zijn.

Het was erg koud buiten, zelfs met een kamerjas aan kon Jim de wind voelen snijden. Bovendien viel er een miezerende regen uit de laaghangende wolken. Hij moest een goede plek vinden om zich te verstoppen, anders zou hij vannacht alleen maar een verkoudheid vangen. Hij vond een plek onder de taxusboom. De takken en naalden vormden een dik dek dat hem beschutte tegen de wind en de regen. ‘Hier hou ik het wel even uit,’ dacht Jim. Hij haalde de lasso tevoorschijn en ging met opgetrokken knieën onder de boom zitten wachten.

Gek wat duisternis en vermoeidheid met je doen wanneer je stil moet zitten en toch probeert wakker te blijven. Jims aandacht werd voortdurend getrokken door de geluiden van de nachtdieren, die zich helemaal niet schenen in te houden gewoon omdat mensen op dit uur sliepen. Nu schrok Jim van een krassende uil, dan tuurde hij weer angstig naar een duistere schaduw waar een naar gepiep uit weerklonk. En kwam die zwarte vlek daar nu plots in beweging?

Hoe waakzaam Jim ook wilde blijven, af en toe viel zijn hoofd even naar voren, waarna hij met een scherpe ruk weer recht schoot en zich verwoed in de ogen wreef. Hierdoor zag hij kleine, dansende lichtjes voor zich. Hij kon niet opmaken of ze werkelijk in de tuin rondflikkerden, dan wel of ze enkel in zijn verbeelding bestonden. Hij kneep zichzelf in de arm om wakker te blijven, en toen zag hij het. De fonkelende lichtjes bleven nu hangen op eenzelfde plek en dansten rond een schaduw die zwarter dan zwart leek. Gebeurt dit echt, of ben ik in slaap gevallen? Jim durfde de vraag niet te beantwoorden. De zwarte schaduw groeide snel en leek de lichtjes één voor één op te slokken. Jim trok zijn knieën nog dichter tegen zich aan en probeerde zijn gezicht zo goed en zo kwaad als mogelijk er achter te verstoppen.

De schaduw bleef maar groeien: eerst was hij zo groot als Rattekop, de hond van mevrouw Noggins. Toen werd hij zo groot als Georgie. En toen zo groot – nee groter – dan Jim zelf! En tenslotte floepten twee enorme oren omhoog, en reikte de schaduw tot boven de hoogte van de grootste volwassene de Jim ooit had ontmoet. ‘Dit moet verbeelding zijn,’ fluisterde Jim tegen zichzelf. ‘De Paashaas is lief en knuffelig! Dit beest is … enorm!’ De schaduw kwam nu in beweging en begon de tuin van St.-Jude’s te verkennen. Hoewel een beest van die grootte wel honderd kilo moest wegen, maakte het geen enkel geluid terwijl het zich verplaatste. Jims vingers kropen door het vochtige gras naar de lasso, en kropen dan haastig weer terug.

‘Wat denk je toch, Jim Appelflap,’ berispte hij zichzelf. ‘Als je zo’n enorm beest vangt, ga je eraan! Hij sleurt je gewoon achter zich aan, met je lasso om zijn hals. Misschien vreet hij je wel op! Zou dat de reden zijn waarom niemand hem ooit heeft gezien? Omdat de Paashaas geen getuigen achterlaat?’ Jim schudde het hoofd. Zo’n nare gedachten mocht hij niet hebben. Zeker niet nu. Niet hier.

Hij kneep zijn ogen tot spleetjes, maar kon nog steeds niet duidelijker zien hoe de Paashaas er precies uitzag. Plots stond de schaduw helemaal stil en prikte zijn oren in de lucht. Jim kon nu zien hoe de stand van de oren langzaam veranderde, alsof de Paashaas aandachtig luisterde. Stil zijn, niet bewegen, niet ademen!

Het was sterker dan hemzelf: Jim piepte angstig. Het was heel kort, maar tegelijk ook heel luid. De zwarte schaduw dook in elkaar en kwam nu met grote, geruisloze sprongen op de schuilplaats van Jim af. De jongen vergat meteen zijn touw en het plan om de Paashaas te vangen. Het enige waar hij nu aan kon denken was rennen, zo snel hij kon. Jim krabbelde jammerend recht. Zijn benen maakten al rennende bewegingen nog voor hij ze onder zijn romp had gebracht, en hij even leek hij door de lucht te zwemmen.

De Paashaas landde vlak achter hem. Het beest maakte hierbij niet meer geluid dan een hoofdkussen dat uit een bed op de vloer valt. Vaagweg kon Jim de zoete geur van melkchocolade ruiken, maar snoepen was nu wel het laatste wat hem interesseerde. Paniekerig greep hij naar zijn zaklamp en knipte deze aan. De lichtbundel verblindde hem even volledig. Blind zwaaide hij de lamp in het rond. Misschien kon hij de Paashaas wel een knal voor zijn kop verkopen met dat ding? Jim knipperde tegen het felle licht en probeerde zijn achtervolger in beeld te krijgen, maar er was niets meer te zien. De tuin was volledig verlaten.

Wat hem ook had achtervolgd, het was nu nergens meer te bespeuren. In de verte kraaide een haan, en aan de horizon verscheen een eerste streep licht van de opkomende zon. Spoedig zouden de weeskinderen van St.-Jude’s wakker worden en opgewonden de tuin in lopen om paaseieren en snoep te rapen.

Maar er lag niets in de tuin. Jim zocht het gras af met zijn zaklamp. Geen snoepgoed. Geen chocolade eieren of konijnen. Geen vogelnestjes van suikerdraad. ‘Ik heb Pasen voor iedereen verknald,’ dacht Jim. ‘En ik heb de Paashaas weggejaagd. Misschien voorgoed!’

De jongen liep met lood in de pantoffels weer naar de jongensslaapzaal. Als Georgie zijn mond maar zou houden. Die zou Jim wel lastige vragen stellen over zijn deel van de buit. En als Jim met lege handen stond, zou die kleine lastigaard hem vast verraden bij de anderen. En bij mevrouw Noggins! Dan zou Jim de rest van zijn jeugd in de bibliotheek moeten doorbrengen. Verschrikkelijk!

Jim was ten einde raad. Hij sloop de slaapzaal weer binnen, trapte zijn bemodderde pantoffels ver genoeg onder het bed zodat ze niet te zien waren, en hing zijn kamerjas aan de haak.

Toen bevroor hij. In zijn bed, onder de deken, lag iemand. Een heel groot iemand. Jim zag er duidelijk een ronde, langgerekte vorm onder liggen, die van het voeteneinde tot aan het hoofdkussen reikte. Vanaf zijn hoofdkussen staken twee langwerpige vormen tot voorbij het hoofdeinde van het bed. De Paashaas! Dat beest was hem voor geweest! Jim trok zich terug en drukte zich verschrikt tegen de muur aan. Zijn ellenboog raakte de lichtknop, en plots floepten alle lichten van de jongensslaapzaal aan. De kinderen werden met een schok wakker.

‘Is het al Pasen? Is de Paashaas geweest?’ zei iemand slaperig. Jim sloeg een hand voor zijn mond en keek angstig naar de vorm onder zijn deken. Vanuit de gang klonken opgewonden stemmen. De meisjes waren ook wakker en kwamen naar de jongensslaapzaal. Wat verderop stommelde mevrouw Noggins mopperend haar slaapkamer uit.

‘Het is nog veel te vroeg om al op te staan! Wie haalt het in zijn hoofd om nu al uit zijn bed te komen…’ De oude vrouw duwde enkele meisje opzij om binnen te kunnen in de jongensslaapzaal. ‘Wat staan jullie hier allemaal eigenlijk te lanterfanten? Jim! Wat… wie… Er ligt iemand… iets… Je bed!’ Mevrouw Noggins stormde door de slaapzaal naar het bed van Jim.

‘Niet doen!’ gilde de jongen. ‘Er ligt een enorm beest in!’ Maar het was al te laat. Mevrouw Noggins rukte de deken in één beweging van het bed. Alle monden vielen tegelijk open. Even was het muisstil in de slaapzaal. Iedereen keek naar elkaar.

En toen gilde Georgie: ‘Jim Appelflap heeft de Paashaas gevangen! Hij heeft het gedaan! En ik krijg de helft!’ Hierop liepen alle kinderen tegelijk naar het bed van Jim. Hier lag de grootste chocolade haas die iemand ooit gezien had. Georgie greep een oor vast en trok er eraan tot het met een luid gekraak loskwam. Uit het gat stroomden honderden kleine eitjes, snoepjes en koekjes. De kinderen kropen als mieren over elkaar heen om tot bij de haas te komen en zich vol te proppen met al het lekkers. ‘Dit is veel beter dan eieren rapen in de tuin!’ riep Gitte met volle mond. Mevrouw Noggins keek vertwijfeld naar Jim. Die haalde de schouders op en probeerde er zo onschuldig mogelijk uit te zien. ‘Vrolijk Pasen?’ zei hij aarzelend.

Waarop de zesendertig andere kinderen jubelend antwoordden: ‘Vrolijk Pasen iedereen!’

Plaats een reactie