De uitbraak

‘Jongens, vannacht is het zover. Dan ontsnappen we. Eindelijk kunnen we dit alles achter ons laten.’

Daan keek iedereen in de groep apart aan. Niemand durfde hem echt tegen te spreken. Hij was tenslotte de grootste van ons allemaal. Of toch de langste, mocht hij zich rechtop zetten. Maar Daan stond nooit helemaal rechtop.

Hij knikte tevreden. ‘Mooi zo. Onthoud het goed, jongens. Vannacht is onze laatste kans. Als we dan niet weg raken, gaan we er allemaal aan.’ Hij keek even streng naar Toon. Die zei zoals gewoonlijk niet veel, gesloten als hij was. Toon leek er zoals steeds van overtuigd dat hem niks zou overkomen. Hij was immers al zo vaak over het hoofd gezien. Niemand van de groep wist precies hoe lang Toon hier al was, maar niemand kon zich een tijd zonder Toon voor de geest halen. Hij was er altijd al geweest, en zag eruit alsof hij er altijd zou blijven.

‘Je kan de harde spelen, Toon, maar op een dag wordt zelfs iemand als jij gekraakt. Ook al ben je zo oud. Ik wed dat Zij wel ergens een perfect recept voor je heeft liggen. Wacht maar af.’ Toon bleef zwijgen.

Daan loerde naar de rest van de groep. Ze zaten op een hoopje bij elkaar en keken Daan met grote ogen aan. ‘En jullie, zijn jullie ook zo hard? Niet te blutsen? Ik denk het niet. Ik ben niet van plan hier te blijven tot ik oud en verrimpeld ben, of mijn vel vol ouderdomsvlekken staat. Morgen is het adios!’

Karel schraapte even de keel. Die heeft tenminste pit, dacht ik. Niet zoals de familie Rank. Die laten zich steeds weer uitpersen, beeld je in! ‘Ehm, we willen je wel geloven hoor, Daan’, begon Karel aarzelend. ‘Maar lopen we dan niet onnodige risico’s? Ik bedoel maar, het is een hele weg naar beneden. Loodrecht nog wel, en er ligt zelfs geen tapijt op de vloer om onze val te breken. Toen ik jonger was, hing ik zo wat de hele tijd in de boom te zwaaien, maar nu ik wat rijper ben heb ik dat allemaal toch wel een beetje achter me gelaten. Ik voel er niks voor om zo naar beneden te stuiteren.’

Iedereen begon hevig van ja te knikken. Karel had het goed verwoord. Koen werd zichtbaar ongemakkelijk. ‘Ik… euh, ik denk dat ik maar hier blijf, Daan. Zo’n val overleef ik nooit. Ik ben de zwaarste van de hele bende en spat vast uit elkaar. Dat wordt een zootje. Ik waag het er hier maar op.’ Daan boog zich over Koen heen. Die leek te krimpen van angst.

‘Ik heb Haar bezig gehoord, daarstraks. Jij staat als eerste op het menu, dikkerd! Het mes ligt al klaar, ik heb het zelf gezien! Ze hakt je in mootjes en wikkelt je in ham!’ Een siddering trok door de groep. Hoe kon iemand zo wreed zijn!

‘En jij,’ Daan draaide zich om naar Karel, die dof uitsloeg. ‘Jij wordt gevild! Ja, je huid wordt er in één lange reep afgesneden. Ze heeft er op geoefend. Daar is ze erg trots op! Ze heeft het ook met je broer gedaan, weet je. Eén lange sliert, en toen mocht ze een wens doen van die man van haar! Dan snijdt ze je hart er uit en gooit het gewoon weg! En dan je vlees… Als je geluk hebt snijdt ze je in mootjes. Dat is kort en genadig. Maar ik heb geweten…’

Daan viel even stil en wreef nadenkend over zijn kromme rug. Zijn huid vertoonde hier en daar al een bruine plek. Hij had ook niet zo lang meer. Hij schrok op uit zijn gedachten en zag dat de groep hem nog steeds bevreesd aanstaarde.

‘Wat heb je geweten, Daan?’ vroeg mevrouw Rank met bibberende stem. Ze klampte zich vast aan haar man en kinderen. Daan boog nog dieper door. ‘Ik heb geweten dat ze anderen zoals Karel, of zelfs kleintjes zoals Fraise daar,’ hij keek met priemende blik naar het kleine ding dat rood uitsloeg, ‘ongenadig in een grote, hete pan knalde. Ze kwamen er onherkenbaar uit, geloof me vrij. En het ergst van al…’ Daan wist hoe hij de spanning moest opbouwen ‘… ze hield de restanten bij in een glazen bokaal!’

Nu brak er algehele paniek uit in de kom. De druivenfamilie Rank zocht bescherming in de eigen tros. Koen de meloen begon in paniek rond te rollen en probeerde nu toch over de rand te geraken. Karel appel zweette het al uit bij de gedachte aan de kookpot en Sil de citroen maakte een of andere zure opmerking over al dat lawaai. Alleen Toon de noot bleef rustig liggen. Hij herkende de tekenen en wist dat niet hij het grootste risico liep. Daarvoor lag ie al veel te lang in de kom, zo lang dat de mensen het waarschijnlijk niet meer vertrouwden hem op te eten. Maar Daan Banaan zag er lekker rijp uit. Die zou morgen in schijfjes op een boterham belanden, of overmorgen met wat yoghurt geprakt. Misschien zou ie wel de week overleven en helemaal oud, verrimpeld en bruin het jonge fruit liggen bang maken met zijn verhalen. Maar uiteindelijk zou ook die praatjesmaker eindigen zoals wij allemaal.

‘Piet!’ riep hij me toe. ‘Kom jij dan toch met me mee! Je weet wat men in dit huis met oude peren doet, Piet. Je wordt gestoofd! Ze maken confituur van je!’ Ik draaide me langzaam om. Dit hoefde ik niet te horen. ‘Piieet! Kom mee, dan ontsnappen we samen! Ze maken milkshake van me Piet, dat wil toch niemand!? Zo koud, en dan die mixer! Piet!’ Ik probeerde niet te luisteren naar zijn geschreeuw. Maar diep vanbinnen wist ik dat hij gelijk had.

Die nacht gebeurde tenslotte iets wat nog nooit eerder was gebeurd. Een meloen, een citroen, een tros pitloze druiven, een kleine aardbei, een appel en een peer verdwenen spoorloos uit de fruitkom  van de familie Geukens. De enige die het zag gebeuren was de hond, maar niemand geloofde hem toen hij blaffend probeerde te vertellen hoe een banaan de andere stukken fruit naar de vrijheid had geleid.

© Rob Geukens


Dit verhaal schreef ik vorig jaar om voor te lezen in de klas van mijn zoon. De reacties waren erg leuk. Je krijgt als schrijver maar zelden directe feedback!

Een gedachte over “De uitbraak

  1. Geweldig Rob! Je neemt eerst een spannend loopje en gaandeweg bedenk ik…mmmm gaat cast over dieren niet over mensen, maar nee … dan wordt het nog wat vreemder …. de twist….fruit! Heerlijk! Ann G. x

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie