Een verhaal voor wie graag griezelt tijdens de donkere dagen rond Halloween…
De vibratie van haar smartphone drong door de sluiers van Tanja’s droomlandschap. Het oplichtende scherm was de enige lichtbron in de slaapkamer. Ze tastte naar het toestel, waaruit nu ook muziek kwam, de cellosuite n° 1 van Bach. Haar eerste gedachte ging uit naar Derk, nog steeds. Het gebeurde in de fractie van een seconde voor het volle bewustzijn terugkeerde, en injecteerde iedere ochtend met een achtergronddosis droefenis. Zodra ze volledig wakker was, dacht ze natuurlijk aan Jens.
Ze veegde over haar scherm, en de cello’s zwegen. Ze had één nieuw appje. Verzendtijd: 00:12. Jens meldde dat het ‘k’ was, zijn typische éénletterige communicatiestijl wanneer hij vond dat zijn moeder te veel vragen stelde. Lastige vragen, zoals ‘alles goed, jongen?’ Tanja had het liever anders gezien, maar goed. Hij liet tenminste weten dat alles ok was, vannacht. Moeders moesten leren dat hun kinderen opgroeien en hun eigen ding doen.
Ze kwam uit bed en rukte de gordijnen open. Het was nog aardedonker buiten. Ze vocht tegen de aandrang gewoon weer onder de lakens te kruipen. Waarom zou ze op een zaterdag zo vroeg opstaan? Maar goed, routine hielp, had dokter Schwartz haar gezegd. Een kapstok voor de dag, voor wie bang was dat stilstaan leidde tot omver vallen, en misschien voor altijd blijven liggen, verpletterd door wat er in de zomer gebeurd was.
Jens. Jens was er nog. Ze moest er zijn voor hem. Hem steunen. Al besefte Tanja dat haar zoon evengoed een kruk voor zijn moeder was. De gedachte dat hij zeventien was en liever alleen naar de stad fietste om te feesten met vrienden joeg haar meer angst aan dan haar lief was. Ze had hem niet horen thuiskomen, vannacht. De verleiding om hem een bericht te sturen, gewoon om het geruststellende toontje uit zijn slaapkamer te horen, was heel groot. Ze schudde het hoofd en liep naar de badkamer om haar tanden te poetsen. Tegelijk maakte ze twintig kniebuigingen. Diep, kont tegen de grond. Haar linkerknie knapte, maar deed geen pijn. Bewegen was deel van haar kapstok geworden.
Ze voelde een harige vorm langs de achterkant van haar benen strijken.
‘Môgghe, Gerda.’ Tanja spuwde het schuim in de wasbak en spoelde haar mond. ‘Wil je naar buiten? Kom maar.’ Ze sloeg een badjas om en liep door de hal naar de achterdeur om de kat buiten te laten. Er was geen enkele ster te zien. Het leek wel midden in de nacht. Midden oktober kon je op dit uur toch wel verwachten stillaan de ochtend te zien gloren?
Tanja liep naar de keuken en activeerde de waterkoker. Thee zou haar goed doen. Ze besloot even aan de deur van Jens’ slaapkamer te gaan luisteren. Na een nachtje uit – ze maakte zich geen illusies meer over de vraag of haar zoon alcohol dronk – kon Jens behoorlijk snurken. De deur van zijn kamer stond op een kier. Geen gesnurk te horen. Ze duwde de deur wat verder open. Het licht van de gang viel op een onbeslapen bed.
‘Godverdomme!’ De vloek klonk luid in de ochtendstilte. Tanja voelde zich meteen schuldig, maar deed haar best haar verontwaardiging nog even te rekken. Hij had toch even kunnen melden dat hij er niet meer zou geraken? Na dat ene berichtje om middernacht niets meer van zich laten horen, en dan gewoon wegblijven… Tanja zag Jens al langs de kant van de weg liggen, van de fiets gemaaid door een dronken bestuurder. Of in het ziekenhuis, in coma geslagen door tuig.
‘Ok, makker, je kan maar beter een goed excuus hebben,’ mompelde ze. ‘Wakker of niet.’ Ze tikte nijdig een bericht in. Waar ben je?! Ben doodongerust! Het bericht bleef staan. Haar telefoon had geen bereik. Nijdig beende Tanja weer naar de keuken. ‘Stom gat, middle of nowhere…’ Waarom woonden ze ook zo afgelegen? Het was een aantrekkelijk idee geweest, toen Derk nog leefde: weg uit de drukte. Nu haar man dood was, zat ze vaker eenzaam aan de keukentafel dan haar lief was, de smartphone in de hand.
Ze opende haar mailapp. Geen netwerk. Ook geen Internet. Geërgerd keek Tanja in de kast, waar de router hing. Die stond gewoon aan. Er was wel wifi, maar er kwam niets door. Tanja wist wel hoe je dat ding kon heropstarten, wat soms hielp. Maar als er echt wat aan kapot was, ging ze het niet beginnen openschroeven. Daar wist ze te weinig van. Prutsen aan elektronica was Derk zijn ding, en kijk wat het hem heeft opgeleverd. Misschien lag het probleem bij haar smartphone? Als ze een nieuwe moest bestellen, zonder Internet… Straks dan maar naar de winkel. Nog even wachten tot Jens weer thuis was. Ze keek uit het raam. Het bleef donker.
Het wegdek glom in het straatlicht. Het had de hele nacht gestaag geregend. Tanja warmde haar handen aan de kop Earl Grey en staarde dromerig uit het keukenraam. Af en toe zag ze de koplampen van een langsrijdende wagen, maar naar haar gevoel was het een pak rustiger op straat dan het op dit uur zou moeten zijn. In de verte kon ze licht zien schijnen door de ramen van de buren. Drie lichtbakens tegen de duistere achtergrond van een nacht die niet leek te willen wijken.
Hoe anders had hun leven kunnen zijn als ze in de stad waren gaan wonen. Overal mensen om je heen. Leven. Misschien had Derk dan nog geleefd. Het kon van kleine dingen afhangen. Een laag gerommel trok haar aandacht, als donder in de verte. Ze hoorde het geknerp van steentjes onder schoenen. Iemand kwam het grindpad opgelopen.
‘Jens!’ Tanja knoopte haar badjas weer dicht, want het leek alleen maar kouder te worden, en rukte de voordeur open, klaar om haar zoon de levieten te lezen. Maar wie daar het pad opstrompelde was niet haar zoon. Tanja kon geen gelaatstrekken ontwaren door de duisternis, maar de brede schouders, de gebogen houding, het reutelend hijgen, en vooral de omvang van de figuur: dit was Jens niet. De angst overkwam haar als een stomp in de maag, waardoor ze plots buiten adem was. Ze trok de deur met een klap dicht en deed hem op slot. Ze liet zich met de rug tegen de deur zakken en omklemde panisch een dichtgevouwen stormparaplu, alsof die van enig nut zou kunnen zijn tegen de duistere figuur. Er volgde een doffe bonk en een slepend geluid. De figuur had een vlezige hand tegen de andere kant van de deur gezet. Voor haar geestesoog zag Tanja hem tegen de deur leunen. Ze kon bijna de ziekmakende warmte voelen die vanuit zijn handpalm tegen haar wang gloeide, dwars door de deur. Het moest wel verbeelding zijn.
Tanja krabbelde recht en trok zich terug in de keuken. Ze deed alle lichten uit en kroop onder het uitstekende eind van het keukeneiland, tussen de barkrukken waarop Jens en zij gewoonlijk hun ontbijt namen. Het voelde blootgesteld aan, alsof je je in een dun stoffen tentje verschool voor een razende grizzly. Ze hoorde hoe de figuur om het huis sloop, of zelfs niet de moeite deed om te sluipen. Hij liep rond met ploffende stappen, en sleepte met zijn hand over de muren en ramen, alsof hij een zwakke plek zocht om binnen te raken. Hij kwam langs het keukenraam. Tanja kon zich er amper van weerhouden het uit te gillen. De vingers van de indringer sleepten piepend over het vensterglas en lieten een ziekelijke veeg achter die leek op roodbruine modder. Tanja begon te bidden. Niet tot God, want gelovig was ze niet. Ze richtte een smeekbede aan Derk. Absurd, want Derk zou nooit meer komen. Zijn gepruts werd zijn ondergang. Zijn hobbyhok in de kelder lag er nog onaangeroerd bij sinds ze hem daar vond, geëlektrocuteerd. Ze had zich in de keuken bevonden, aan het werk met haar laptop. Een laatste controle van een tussentijds rapport voor het renovatieproject dat haar team had uitgewerkt. Toen flikkerden even de lichten, en daarna viel in het hele huis de elektriciteit uit. Tanja had Derks naam geroepen. Of hij even de schakelkast kon nakijken, die zich in de kelder bevond. Toen rook ze de geur die opsteeg langs de keldertrap. Verschroeid vlees, als barbecue.
Tanja’s gedachten tuimelden over elkaar heen als sokken in de droogkast. Hulp zoeken? Ontsnappen? Wachten op Jens, die zich nog daarbuiten bevond en misschien op weg was naar huis? Ze bleef proberen een signaal te krijgen met haar smartphone, of verbinding te krijgen met het Internet. Het haalde allemaal niets uit. Vroeger hadden ze een vaste telefoonlijn, maar wie die hadden ze lang geleden al uitgetrokken. Het was een van de eerste dingen die ze deden toen ze het huis in trokken. Derk had hoofdschuddend naar het toestel gewezen en geglimlacht, alsof hij zonet een relict uit vroegere, simpelere tijden had gespot, zoals een wasbordje of een doos magische hoofdpijnpoeders van dokter Mann. Nu leek dat toestel plots heel wat minder belachelijk ouderwets voor Tanja. Ze krabbelde uit haar schuilplaats tevoorschijn en rende met drie treden tegelijk de trap op. Op zolder stond een ladekast die vol zat met afgedankte elektronica. Het telefoontoestel zat er nog in, met de kabel netjes eromheen gerold. Ze schoot een dankgebedje naar Derk, waar hij zich ook mocht bevinden, voor het feit dat hij nooit iets wilde afdanken. Ik maak nooit een ommetje door het milieustraatje, was een van zijn favoriete grapjes. In de woonkamer bevond zich nog de contactdoos van de telefoonlijn. Tanja plugde het toestel in. Er kwam een kiestoon door.
Met bibberende vingers vormde ze het nummer van Jens. Hopelijk lukte dit… Na drie tonen hoorde ze Jens’ stem.
‘Hallo?’
‘Jens, godzijdank, je bent ok!’ zei Tanja met verstikte stem.
‘Ja?’ zei de jongen.
‘Kan je naar huis komen? Of neen, blijf waar je bent. Er loopt hier iemand rond het huis, en het blijft maar donker, en…’
‘Hahaa! Gefopt! Ik kan even niet antwoorden. Spreek je boodschap in na de biep, of beter nog, app me, boomer. Echt, wie gebruikt er nu een smartphone om te telefoneren. Doei!’ Er volgde een bieptoon. Tanja was even verbluft.
‘Jens, godverdomme! Kom naar huis!’ gilde ze, en haakte in.
Ze ademde diep in en uit om wat te kalmeren. Dit was haar eigen schuld. Ze was zo gespannen dat ze de voicemail van haar eigen zoon niet had herkend. Het was nochtans niet de eerste keer dat ze deze had gehoord, en er was ingetrapt. Ze probeerde zich op het positieve te concentreren. Ze had een werkend telefoontoestel, waarmee ze nu de politie kon bellen. Die zouden wel een wagen sturen, en de kerel die rond het huis slofte arresteren of op de vlucht jagen. Met vastere hand vormde ze het noodnummer. Het duurde erg lang, maar uiteindelijk werd er opgenomen.
‘Hallo, politie?’ zei Tanja. Haar stem klonk merkwaardig benepen, omdat ze niet te luid wilde spreken. ‘Er sluipt iemand rond mijn huis, en ik ben alleen. Kan u iemand sturen, alstublieft?’ Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Tanja vroeg zich af of men gewoon weer had ingehaakt. Toen hoorde ze een bibberende ademhaling doorkomen.
‘Er is hier niemand, ik ben helemaal alleen, kom me helpen!’ fluisterde een angstige vrouwenstem met een accent.
‘Ben… ben ik niet bij de politie?’ vroeg Tanja verbaasd.
‘Jawel,’ antwoordde de vrouw. ‘Ze zijn allemaal weg. Ik… ik ben de poetshulp! Er zijn dingen, daarbuiten. Ze proberen binnen te komen!’
In een griezelfilm zou de lijn nu abrupt worden afgebroken. Misschien hoorde je nog net een gil. Maar dat gebeurde niet. Wat wel gebeurde vond Tanja veel akeliger. De dame aan de andere kant van de lijn bleef zachtjes jammeren en begon dan een troostend kinderliedje neuriën, bibberend en zuchtend. Ontsteld haakte Tanja in. Als daar ook iemand rondsloop… De vrouw had over dingen daarbuiten gesproken. Het politiekantoor lag in het stadscentrum. Was daar ook iets aan de hand? Dan was dit veel erger dan alleen een stalker in haar tuin. Waar waren alle politiemensen gebleven? Als de stad ook niet veilig was, dan was Jens daar ook in gevaar!
Tanja sloop op handen en knieën naar het raam. Het was intussen al zo laat. Bijna middag. Er had toch al zonlicht moeten zijn? Maar het bleef gewoon donker. Er begon opnieuw regen te vallen, maar ook zwaardere dingen. Hagel? Neen, nog iets anders. Wat er ook uit de lucht viel, het veroorzaakte zware bonken op het dak van het huis. Wat als dat het begaf? Tanja gluurde door het raam. Door al dat lawaai kon ze niet horen of de man nog rond het huis waarde. Ze moest het erop wagen en hopen dat ze niet plots recht in zijn ogen staarde, met enkel een laagje glas tussen hen in. Ze zag alleen donkere vlekken die loodrecht naar beneden vielen tegen een nog donkerder achtergrond. Zou ze het portieklicht even aansteken? Of zou ze daarmee nog meer duistere bezoekers aantrekken? Haar hand reikte naar de knop. Toen begon iemand heel hard op de deur de bonzen. Tanja sloeg een hand voor haar mond en gilde inwendig. Ze sloop weer naar de keuken. Het gebonk van wat er ook uit de hemel viel verminderde en hield uiteindelijk op.
De opluchting die Tanja daarom voelde was van korte duur. Nu hoorde ze tegelijk aan meerdere kanten van het huis slepende voetstappen en geschraap. Wie of wat zich ook daarbuiten bevond, hij was niet langer de enige. Tanja gluurde door het keukenraam naar buiten. In de verte zag ze nog steeds drie geruststellende lichtbakens. De huizen van de buren. Het dichtstbijzijnde was misschien honderd meter in een rechte lijn vanaf haar voordeur. Misschien als ze haar vertrek goed timede… Tanja bedacht zich. Als de buren enig verstand hadden, hielden ze hun deuren gesloten, net zoals Tanja. Dan lieten ze niemand binnen, ook al ging het om iemand die ze kenden. Tenzij – hoe onmogelijk dat haar op dit ogenblik ook leek – het ginder nog rustig was? Wat er daarbuiten ook aan de hand was, misschien was het beperkt tot slechts enkele plekken, zoals haar eigen huis en het politiekantoor? Tanja durfde nog steeds hopen dat de nachtmerrie zou eindigen. En alsof iets daarboven – toch een hogere kracht? – haar gehoord had, zag ze nu hoe de voordeur van mijnheer Balieu, die in het dichtstbijzijnde huis woonde, openzwaaide. Het silhouet van de oude man verscheen, afgetekend tegen het licht van de hal. Hij zette zijn hoed op en stapte buiten, zijn hondje Rufus aan de lijn. Mijnheer Balieu, een man van routines, liet iedere dag op de middag en iedere avond om 20:00u Rufus uit, weer of geen weer. En blijkbaar licht of geen licht. De oude man sloot de deur, en daarmee de mogelijkheid voor Tanja op een snelle ontsnapping naar een ander huis. Rufus wandelde dartel voor de grijsaard uit. Tanja kon het hondje zelf amper zien, maar zijn halsbandje met felrode ledverlichting stak helder af tegen de duisternis. Alsof er niets aan de hand was begonnen hondje en baasje aan hun ommetje.
Tanja wist niet of ze beter zou lachen of huilen. Ze bleef op haar knieën zitten in haar verduisterde keuken en bleef bijna smachtend uit het raam kijken. Geleidelijk aan verstomden alle geluiden om het huis. In de verte meende ze af en toe een flard van een sirene op te vangen – er was dus toch nog politie aanwezig in de stad – maar ook die bleven uiteindelijk weg. Gek hoe je geest hardnekkig probeert alles te normaliseren en in een kader te proppen. Alsof een deel van Tanja wanhopig probeerde te ontkennen dat er iets vreselijks aan de hand was. Dat gedeelte drukte alle ongeregeldheden van deze ochtend naar de achtergrond, en klampte zich vast aan alles wat haar kon helpen volhouden dat het normale leven spoedig zou hervatten. Tekenen zoals mijnheer Balieu, die spoedig weer in beeld kwam na zijn wandeling met Rufus. Tanja zag het geruststellende rode halsbandje weer opduiken, tegen het gezapige tempo van zijn baasje. Tot Rufus versnelde. Had hij zich losgerukt? Het rode licht schoot vooruit tegen een vaart die mijnheer Balieu onmogelijk kon volhouden. Nu hoorde Tanja ook de stem van de oude man. Hij schreeuwde niet tegen zijn hond. Hij schreeuwde gewoon, een kreet die bleef aanhouden en die even snel leek te gaan als het rode licht. Toen maakte het rode licht van Rufus’ halsband een scherpe knik omhoog, en het gegil van mijnheer Balieu leek zich ook fysiek omhoog te verplaatsen, alsof iets hond en baasje in een duikvlucht van de grond had opgepikt. Wat was tot zoiets in staat? Tanja tuurde naar de duistere hemel, maar zag al gauw geen teken meer van het rode led-halsbandje. Het gegil van mijnheer Balieu was al veel eerder opgehouden.
Toen ging het licht in zijn woning uit. Enkele minuten laten doofden ook de lichten in de twee andere huizen van de buren. Tanja klauwde met haar vingers in haar losse haren. Dit zou niet zomaar ophouden, zoveel was duidelijk. Het enige wat haar ervan weerhield gek te worden was de hoop Jens terug te zien.
Het bleef donker. Tanja zat weer onder het tafelblad van het keukenblok. Buiten was alles verstomd. Het ergste was niks weten, en je fantasie niet kunnen beteugelen. Haar vreselijkste angsten werden op de duisternis en de stilte geprojecteerd. Wat was er toch gaande? Waar bleef Jens? Wilde ze eigenlijk wel dat hij naar huis kwam, met alles wat ze hier had meegemaakt? De sluipende figuren leken verdwenen. Waren ze uitgezwermd naar andere huizen, of op weg naar de stad? Of stonden gewoon stil in de tuin, wachtend op een geschikt moment om weer in actie te komen?
Tanja had geen idee meer of het dag of nacht was. Kon ze nog vertrouwen op de klok van haar smartphone, die 15:12u aangaf? Haar lichaam gaf aan dat het kwart voor de Hel was. Ze had zin om alle spanning uit te braken en met haar hoofd tegen de muur te bonken tot ze bewusteloos was. Ze sloeg haar handen om haar knieën en schommelde zachtjes heen en weer.
Ze probeerde zich recht te houden aan kleine dingen. Er was nog stroom in huis. Haar woning was nog intact. Niemand was tot dusver binnengekomen. Daarbuiten was iets grondig mis, maar hierbinnen leek alles nog normaal.
Toen hoorde ze een onverwacht geluid. Een getinkel in de verte. Een fietsbel, en geschreeuw. Het was de stem van Jens! Tanja dwong zichzelf onder het tafelblad uit te komen, strompelde naar de voordeur, greep bij gebrek aan een echt wapen naar de stormparaplu, klikte het portieklicht aan en maakte de deur los. Jens kwam als een gek de straat in gefietst. Tanja maakte aanstalten om naar hem toe te rennen, maar gleed uit over een natte, soppende brok van een walgelijke substantie die op de dorpel lag. Ze kwakte vol op haar rug en tastte in een reflex naar het ding. Haar vingers hingen vol met dezelfde roodbruine smurrie waar de vensters intussen mee besmeurd waren. Ze was uitgegleden over iets wat leek op wat er overblijft van een dier dat door een vrachtwagen overreden wordt. De voortuin lag er vol mee. Het leek alsof het eerder die dag bloed had geregend en brokken harig vlees.
Jens’ licht kwam dichterbij, en tot Tanja’s ontzetting maakten zich uit de diepste schaduwen kleinere schaduwen los die hem dreigen in te sluiten. In de lucht boven haar zoon cirkelden nog andere vormen. Ze kon niet duidelijk zien wat ze precies waren, maar ze waren groot, en haar oerinstincten herkenden er roofdieren in, ook al leken ze in niets op de roofdieren van de natuurdocumentaires op TV, of de beesten in de dierentuin. Eentje maakt een duikvlucht naar haar zoon, net wanneer hij zijn fiets het grindpad opstuurde. Tanja krabbelde recht en strompelde naar hem toe. Ze priemde de stormparaplu omhoog en klikte hem open. Er volgde een zware klap, waardoor de paraplu om haar en Jens heen vouwde, en ze over het gazon tuimelden. Het stuur van Jens’ fiets ramde ongenadig in haar maag en ze voelde haar schouder iets doen wat deze nooit eerder heeft gedaan. Maar het aanvallende wezen crashte in het struikgewas, net voldoende uit baan gebracht door de paraplu. Jens krabbelde als eerste recht en sleurde zijn moeder mee naar het huis. Vanuit de struiken schoot een harige flits door de dichtvallende deur mee naar binnen. Gerda de kat had het ook gered! Eindelijk samen. Eindelijk veilig.
Tanja zeeg hijgend op de keukenvloer neer. Haar onderrug deed pijn van de glijpartij, haar schouder was beurs en haar ribben waren minstens gekneusd door het fietsstuur. Jens steunde met zijn handen op zijn knieën. Zijn gezicht was rood aangelopen, maar hij was wonderwel ongeschonden uit de lange nacht gekomen.
‘Mama, ik dacht dat ik dood ging gaan,’ zei hij.
‘De stad… ik heb uren geschuild in een bar. Waarom is het zo donker? De grond in de fuifzaal… hij scheurde gewoon open! Er kwamen allerlei dingen uitgekropen. Zoals mensen, maar toch weer niet. Alsof de Hel een weg naar boven had gevonden! We zijn gevlucht, maar ook buiten was het chaos. Brand, gillende mensen. De politie, … ze stonden machteloos! En dan die dingen in de lucht! Thijs, hij werd… iets greep hem! Hoe kan dat toch?’ Jens zakte snikkend op zijn knieën. Tanja richtte zich op en sloeg haar armen om haar zoon. Ondanks de verschrikkingen voelde ze vooral blijdschap en een diepe dankbaarheid. Gerda streek langs Tanja’s rug. Alles was goed nu.
‘Stil maar,’ suste ze haar zoon. ‘Stil maar. We zijn thuis. Hierbinnen is alles veilig.’ Ze reikte naar de lichtknop. Ze wist dat het een risico inhield, maar haar zoon had geruststelling nodig. Het licht floepte aan. Een weldadige gloed verjoeg de schaduwen uit de keuken. Zo zaten ze daar lange tijd op de keukenvloer, genesteld in een innige omhelzing. Buiten bleef het donker, en onvermijdelijk trok het licht wat zich daarbuiten bevond als groteske motten naar zich toe. Eerst hoorden ze de voetstappen op het grindpad. Daarna de tastende, slepende vingers tegen het venster.
Gerda zette een hoge rug op en blies. Maar niet tegen de dingen die zich daarbuiten rond het huis verzamelden. Ze blies naar de deur waarachter zich de keldertrap bevond. Tanja keek verschrikt op. Hadden ze langs daar een weg naar binnen gevonden? Toen flikkerde het licht even, en viel de elektriciteit uit. Tanja en Jens roken de indringende geur van verbrand vlees, als barbecue. Ze hoorden schuifelende voetstappen op de keldertrap. De deurklink werd piepend naar beneden geduwd. De kelderdeur zwaaide open.
Pingback: Januspost 2024 – 2025 | Rob Geukens